Zet je voet op het water…

‘Kom.’ In een vliegende storm spreekt de Heere Jezus dit woord met kracht tot Petrus. En Petrus stapt overboord. Zet zijn voet op het water. En loopt naar de Heere Jezus toe. Op het water. In de storm. Over de golven. Wat een wonder! Dat geloof je toch niet. En toch is het waar! Petrus loopt op het water…

Ook in ons leven kan het stormen. Kunnen we denken ten onder te gaan en in paniek raken. Net als de discipelen zijn we vaak banger voor de storm dan dat we uitzien naar de Heere Jezus. We bidden wel, maar als de Heere Jezus komt om ons te helpen, herkennen we Hem lang niet altijd. Net zoals de discipelen…

Zij zijn getuige geweest van de wonderbare spijziging. Vijf broden en twee vissen werden door de Heere Jezus vermenigvuldigd, zodat er meer dan genoeg voedsel was voor 5000 mannen, plus de vrouwen en de kinderen, van wie de aantallen niet worden vermeld.
Deze spijziging was in de eerste plaats een les van de Heere Jezus aan Zijn discipelen, om hun te laten zien dat Hij de Zoon van God was. Maar dit besef drong niet tot hen door. En toch wilde Hij hun dit leren.

Daar gebruikt Hij de storm op het Meer van Galilea voor. De discipelen zijn in hun schip onderweg naar de overkant van het meer, zo’n 6 tot 8 kilometer ver. De Heere Jezus bleef nog achter om te bidden op de berg.
Er staat in Mattheus 14 niet bij waarvoor Hij bad, maar Hij zal zeker ook gebeden hebben voor Zijn discipelen, dat hun ogen open zouden gaan voor wie Hij werkelijk was.
Halverwege komen ze in een storm terecht. De valwinden kunnen zomaar plotseling het Meer van Galilea onveilig maken.

De hand van de Heere is in deze storm, in deze dreigende situatie voor de discipelen, om hun iets te leren. Het kan ook ons helpen om te bedenken dat de Heere ons dingen wil leren als we in moeilijkheden zijn.
Het is aannemelijk te veronderstellen dat de discipelen gebeden zullen hebben en tot God hebben geroepen om redding, om bescherming. Als ze dan antwoord krijgen en de Heere Jezus over de zee tot hen komt om hen te redden, herkennen ze Hem niet.

Het wordt al ochtend. Wellicht zijn ze al langere tijd in nood door de golven (vers 24). Lopend over de zee komt Jezus snel naar hen toe. Maar als ze Hem zien komen, raken ze in verwarring en roepen: ‘Het is een spook!’ En zij schreeuwen van angst.
‘Heb goede moed, Ik ben het; wees niet bevreesd,’ stelt de Heere hen gerust (vers 27). Voor ‘Ik ben’ staat er ‘egō eimi’. Hier herkennen we de zelfopenbaring van God in, uit het Oude Testament, met de woorden ‘Ik ben’ (Exodus 3:14; Jesaja 41:4 en 43:10).

‘Heb goede moed, wees niet bevreesd.’ Het is beslist niet nodig om angstig of bevreesd te zijn. ‘Ik ben.’ Vertrouw op de Heere. Als je Hem mag kennen, ben je veilig en geborgen bij Hem. Hij is er immers, ook al is de storm nog niet over.
Als Petrus Hem herkent, reageert hij: ‘Heere, als U het bent, geef mij dan bevel over het water naar U toe te komen’ (vers 28). Kunt u het zich voorstellen? Dreigende golven beuken het scheepje en dan vragen of je overboord mag stappen?
Hij wil bij de Heere Jezus zijn. Dan klinkt het ‘Kom’. Een woord met Zijn kracht erin. Zonder zich te bedenken, stapt Petrus overboord en zet zijn voet op het water.

Wat gaat er nu gebeuren? Wie doet nu zoiets? Dat is toch onverantwoord, zouden velen zeggen. De andere discipelen zullen ingespannen hebben toegekeken. Hoe gaat dit aflopen? Straks verdrinkt Petrus…
Maar nee, Petrus loopt op het water, richting de Heere Jezus. In geloof, in vertrouwen. Zo snel mogelijk wil hij bij Hem zijn, want dat betekent zijn redding. Dat weet Petrus zeker.

Maar daar komt weer zo’n hoge golf aan. En de wind lijkt nog wel verder aan te zwellen. Wat een dreiging. ‘Petrus, kijk naar de Heere Jezus…’ Maar Petrus ogen dwalen af naar woeste golven. Hij wordt bang en begint weg te zinken in de golven en schreeuwt het uit: ‘Heere, red mij’.

Meteen steekt de Heere Jezus Zijn hand uit, grijpt Petrus vast en redt hem van de ondergang. ‘Kleingelovige, waarom hebt u getwijfeld?’ klinken Zijn woorden. Het is een duidelijke berisping.
Petrus blijft het antwoord schuldig. Hij zal zich geschaamd hebben. Voor mij is dit herkenbaar. Hoe vaak zijn wij ook kleingelovig? Hoe vaak twijfelen wij ook? Ik ken mezelf een beetje en zal niet snel met de vinger naar Petrus wijzen. Het is een les die ik ook telkens weer moet leren. Wees niet kleingelovig, maar gelovig!

Nadat de Heere Jezus en Petrus in het schip zijn geklommen, gaat de wind liggen en is het gevaar geweken. De discipelen hebben hun les geleerd. Vers 33 zegt: ‘Zij die in het schip waren, kwamen Hem aanbidden en zeiden: Werkelijk, U bent de Zoon van God.’

Deze geschiedenis heeft ons veel te zeggen. Ik spreek voor mezelf: Gods almacht kent geen grenzen. Te vaak ben ik gericht op de zorgen, de moeilijkheden en de stormen en te weinig Zijn almacht. Wij rekenen met menselijke grenzen en mogelijkheden, maar voor Hem is niets te wonderlijk.
We mogen leren om alles van Hem te verwachten. We mogen leren voortdurend op Hem te zien. Wat een troost, wat een bemoediging!

Hij gaat mee. Alle dagen van ons leven. In alle omstandigheden. In blijde dagen, ook als de storm woedt en de golven ons dreigen te overspoelen. Wees niet bevreesd om je voet op het water te zetten. Nooit eerder zal Petrus dat hebben gedaan, ook al was hij visser. Hij wist exact wat het kon betekenen om midden op zee in een wilde storm overboord te stappen. En toch deed hij op, omdat de Heere Jezus tegen hem zei: ‘Kom.’

Zo kan Hij ook tegen ons zeggen: ‘Kom. Ga. Zet je voet op het water. Volg Mij.’ Wellicht in je leven van alledag. Maar misschien heeft Hij wel een andere taak voor je. Een nieuwe weg.
Het kan zijn dat je dit leest en op een kruispunt staat in je leven. Dat je weet dat de Heere je roept in Zijn dienst, maar dat de consequenties ervan je afschrikken. Zie op Hem. Houd je ogen op Hem gericht. Als Hij zegt: ‘Kom’, zal Hij je ook alle genade geven die je nodig hebt om tot Hem te gaan en Hem te volgen. ‘En zie, Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld’ (Mattheus 28:20).

Dirk van Genderen