Bouwt u uw eigen huis of Gods huis?

Soms houdt een Bijbeltekst of een Bijbelgedeelte je in de ‘greep’. Je komt er niet los van, je leest het, en nog een keer en nog een keer. Wellicht herkent u dat. Bij mij ging het zo de afgelopen dagen met het Bijbelboek Haggaï.

Het volk van Juda vraagt zich af waarom hun werk niet wordt gezegend. Ze doen hun best, maar alles zit tegen. Ze zaaien veel, maar halen weinig oogst binnen. Ze eten, maar raken niet verzadigd, drinken, maar worden niet dronken en kleden zich, maar worden niet warm. De knecht ontvangt zijn geld, maar raakt het kwijt omdat zijn buidel doorboord is.

Zo begint de profeet Haggaï. Hij heeft een boodschap voor het volk, in het tweede jaar van koning Darius, in de zesde maand, op de eerste dag van de maand. Dat is op 29 augustus, in het jaar 520 voor Christus.
Haggaï spreekt woorden van de Heere tot Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, de landvoogd van Juda en tot Jozua, de zoon van Jozadak, de hogepriester en tot het volk.

De aanklacht van de Heere tegen het volk is helder. Na hun terugkeer uit de Babylonische ballingschap zijn ze wel aan de herbouw van de tempel begonnen, maar het werk is niet afgemaakt. We lezen daarover in Ezra 3 en 4. Door tegenstand stopten ze ermee.
In plaats van de tempel begonnen ze hun eigen huizen te herstellen. Nu wonen ze in fraai overdekte huizen, terwijl het huis van de Heere nog verwoest is. Daarom houdt de HEERE van de legermachten Zijn zegen in.

Ieder slooft zich uit voor zijn eigen huis. Daarom geeft de hemel geen dauw, daarom onthoudt het land zijn opbrengst, daarom roept de Heere een droogte over het land uit.
De Heere gebruikt deze tegenslagen om het volk tot inkeer te brengen. Zo kan de Heere ook in ons leven werken. Om ons opmerkzaam te maken. Om ons stil te zetten. Om naar Hem te luisteren. Om (opnieuw) Zijn werk op te pakken.

Als het volk deze boodschap van de profeet hoort, raken ze bevreesd voor het aangezicht van de HEERE. Maar dan klinkt een genadevolle boodschap: ‘Ik ben met u, spreekt de HEERE’ (Haggaï 1:13). Het volk krijgt van Hem de opdracht Zijn huis te herbouwen. Daar schept Hij behagen in. Hij wil bij hen wonen.

Op de vierentwintigste dag van de zesde maand, in het tweede jaar van koning Darius, dus 23 dagen later, gaat het volk verder met de herbouw van de tempel. Dat staat nu op nummer één, in plaats van het verder verfraaien van hun eigen huizen.
En nogmaals spreekt Haggaï woorden van de HEERE om het volk en Zerubbabel en Jozua te bemoedigen: ‘Wees sterk, werk door, Ik ben met u, wees niet bevreesd’ (Haggaï 2:5 en 6).

De Heere geeft hier al zicht op Zijn grote toekomst, die in het verlengde ligt van de herbouw van deze tempel. Zijn heil is bestemd voor de hele wereld, voor alle heidenvolken. Dit is werkelijkheid geworden in de komst van de Heere Jezus, maar de volledige vervulling zal pas plaatsvinden in het Rijk van vrede en gerechtigheid, dat de Heere Jezus zal oprichten.
De Heere zal Zijn toekomstige huis vullen met Zijn heerlijkheid, een heerlijkheid die groter zal zijn dan de heerlijkheid van de eerste tempel. Daar zal de Heere Zijn vrede geven en de heidenvolken zullen tot Hem komen. (Haggaï 2:7-10).
Hij gaat het huis van David herstellen. Tot Zerubbabel spreekt de Heere, en door hem gaat het over de verheerlijkte Heere Jezus: ‘Ik zal u maken tot een zegelring, want u heb Ik verkozen, spreekt de Heere van de legermachten’ (Haggaï 2:24)

Vanaf de dag dat de herbouw van de tempel is gestart, gebeurt er iets bijzonders. Het wordt zichtbaar voor iedereen die er op let. De Heere roept door Haggaï op er aandachtig op te letten.
We lezen het in vers 20, en zet er maar dikke strepen onder:
‘Ligt er nog zaad in de schuur?
Zelfs tot de wijnstok, de vijgenboom, de granaatappelboom toe,
en de olijfboom, die geen vrucht gedragen heeft,
Die zal Ik vanaf deze dag zegenen.’

Wonderlijke woorden. Veelzeggende woorden. Zodra het volk verder gaat met de bouw van de tempel, geeft de Heere ook Zijn zegen op hun overige werkzaamheden. Het oordeel heeft Hij weggenomen.
Ook voor ons zit hier een belangrijke les in. Wij zijn vaak zo druk met onze eigen bezigheden, ons huis, ons werk, onze carrière, onze vakanties, onze hobby’s, ons tv-kijken, onze mobieltjes, dat het werk van de Heere, de dienst aan Hem, eronder lijdt.
Mogen we dan ons eigen huis niet bouwen? Jazeker wel, maar waar ligt onze prioriteit? Daar gaat het om, is ons hart vol van de Heere Jezus?

Ligt ook het huis van de Heere in ons land niet verwoest? Wat is er nog van over? Raakt het ons dat de overgrote meerderheid van ons volk niets meer met de Heere te maken wil hebben? Dat kerken en gemeenten verdeeld zijn.
‘Heere, wees ons genadig, vergeef ons onze zonden, schenk een terugkeer tot U en geef ons genade Uw huis te bouwen.’

Door Haggaï heen belooft de Heere ons Zijn zegen als Hij de eerste plaats in ons leven krijgt, als we ons leven toewijden aan Hem, meer aan Hem dan aan al het andere in ons leven.

En God is niet veranderd. De God van Haggaï is ook onze God. Dan zegt Hij ook ons Zijn zegen toe. Allereerst geestelijke zegen, in dit leven en straks de eeuwige heerlijkheid. Maar ook in dit leven zegt Hij ons Zijn zorg, Zijn zegen toe. Als we eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid zoeken (Mattheus 6:33).

Dirk van Genderen