Biddend strijden

Voorbede is misschien wel de ‘zwaarste’ vorm van bidden. Voorbidders ervaren vaak dat voorbede strijden is. Het is een geestelijke strijd, omdat de satan zo’n gebed haat. En van de bidder zelf vraagt voorbede volharding.

Een goed voorbeeld van een voorbidder is Mozes. In Exodus 32 lezen we over de zonde die het volk Israël bedrijft met het gouden kalf. Op dat moment is Mozes op de berg, bij de HEERE. Dan vertelt Hij hem dat het volk zich neerbuigt voor een kalf als hun afgod en dat Hij het volk daarom zal gaan vernietigen. ‘Nu dan, laat Mij begaan, zodat Mijn toorn tegen hen ontbrandt en Ik hen vernietig. Dan zal Ik u tot een groot volk maken’ (vers 10).
Mozes verootmoedigt zich daarop voor de HEERE en smeekt of Hij het volk wil sparen. ‘Hij tracht het aangezicht van de HEERE, zijn God, gunstig te stemmen,’ vervolgt vers 11. ‘Laat Uw brandende toorn varen en heb berouw over het kwaad voor Uw volk’ (vers 12). Vers 14 zegt dan dat de HEERE berouw krijgt over het kwaad dat Hij het volk wil aandoen.

Wanneer Mozes dan na veertig dagen de berg af komt en ziet wat de HEERE hem al heeft verteld, ontbrandt ook hij in toorn. Hij smijt de stenen tafelen, die God Zelf beschreven heeft, kapot en verbrandt het kalf dat zij hebben gemaakt met vuur. De straf van de HEERE is zwaar, ‘er vallen ongeveer 3000 man.’

De volgende dag klimt Mozes weer de berg op naar de HEERE, om ‘misschien verzoening voor hun zonden’ te kunnen bewerken. En dan komt de indringende voorbede van Mozes voor het volk: ‘Nu dan, of U toch hun zonden wilde vergeven! Maar indien niet, schrap mij alstublieft uit Uw boek, dat U geschreven hebt’ (vers 32).

Wat een gebed! Wat een last rustte er op het hart van Mozes! Wat ging de liefde voor zijn volk diep. Hoe zwak zijn onze voorbeden dan vaak, vergeleken met dit gebed van Mozes. Hij was bereid voor altijd van God gescheiden te zijn, als het volk maar behouden zou worden en Gods eer maar niet aangetast zou worden wanneer Hij het volk zou vernietigen.

Ook bij Paulus zie je eenzelfde soort intense voorbede. In de eerste verzen van Romeinen 9 zegt hij dat hij zelf wel van God vervloekt wil zijn, weg van Christus, als zijn volk maar gered zou worden. In vers 2 lezen we zelfs dat Paulus een grote droefheid heeft en een voortdurende smart , dat hij onder enorme druk staat. Zijn liefde voor zijn volk is zo groot, dat hij bereid is alles te verliezen om hen maar voor Christus te winnen.
Bijzonder toch, hoe zowel Mozes als Paulus voorbede doet voor eigen volk! Let ook eens op Epafras, van wie in Kolossenzen 4:12 staat dat hij altijd in zijn gebeden strijdt voor gemeente in Kolosse.

Hoe is het met ons gesteld? Kennen wij het (een beetje) om zo voorbede te doen? Dat is heel wat anders dan een uurtje bidden op de wekelijkse bidstond van uw gemeente, hoe goed het ook is om dat te doen. Dat betekent een dagelijkse gebedsstrijd. Misschien voor één van onze kinderen, voor onze ouders, buren, vrienden, voor onze gemeente, onze man of vrouw, of mogelijk wel voor onze voorganger. Voor ons dorp, onze stad, de regering, het koningshuis, ons volk.

Het kan ook zijn dat u een speciale gebedslast voor een ander land hebt. Ik ken veel mensen die dagelijks voor Israel en het Joodse volk bidden en de God van Israël geen rust gunnen totdat Hij Jeruzalem grondvest en haar stelt tot lof op aarde (Jesaja 62:7).
Zo bidden kunnen we niet in eigen kracht. Dat houden we niet vol. Dat kan alleen maar omdat er een biddende Heere Jezus in de hemel is (Hebreeën 7:25) en omdat de Heilige Geest voortdurend met onuitsprekelijke verzuchtingen voor hen bidt die God liefhebben (Romeinen 8:26).

Dirk van Genderen