Psalm 23 wordt vaak beschouwd als een gedicht van troost. Het begint met rust: groene weiden, rustgevende wateren, de stille zekerheid van de zorg van een Herder. Maar plotseling daalt het pad af in diepe duisternis. Vijanden naderen. En toch raakt de psalmist niet in paniek. Hij loopt vol vertrouwen verder. Ook als de oorlog heel dichtbij is.
Waarom? Omdat Psalm 23 in het Hebreeuws niet zomaar een lied over vrede is. Het is een lied over hoe de vrede de vallei overleeft. De Herder Die ook dichtbij is.
De openingszin, Adonai ro'i – ‘De HEERE is mijn Herder’ - klinkt eenvoudig in het Nederlands. Maar in het Hebreeuws draagt ro'i (רֹעִי) meer warmte in zich dan veel lezers beseffen. Voor het oude oor weerspiegelt het een nauw verwante klank die geassocieerd wordt met kameraadschap. De Herder is niet alleen Iemand Die van verre leiding geeft. Hij is nabij. Hij wandelt met de Zijnen. De gelovige wordt niet zomaar geleid; hij wordt begeleid.
De Hebreeuwse uitdrukking die vertaald wordt als ‘stille wateren is 'mei menuchot' (מֵי מְנֻחוֹת) - letterlijker: ‘wateren van rust’. Dit is niet zomaar een vredige beek. Het is de plek waar het streven ophoudt. De Herder leidt de ziel niet slechts naar verlichting, maar naar een diepe rust die een versplinterde ziel weer heel kan maken.
Dan komt de regel die we uit ons hoofd kennen: ‘Ook al ga ik door een dal van diepe duisternis, vol van schaduw van de dood...’ Het Hebreeuwse woord verwijst naar een plek van diepe, drukkende duisternis die op de ziel drukt. En toch zegt de psalmist: ik ga. De Herder verwijdert het dal niet. Hij leidt Zijn volk erdoorheen. Het wonder is niet het vermijden ervan. Het wonder is Zijn aanwezigheid. Dit is het keerpunt: vóór het dal spreekt de psalmist over God (‘Hij leidt’). In de duisternis verandert de taal: ‘U bent met mij.’ In het lijden wordt theologie gebed.
Als Psalm 23 over Goddelijke zorg gaat, waarom eindigt hij dan met vijanden die nog steeds in het zicht zijn? Omdat Bijbelse vrede niet de afwezigheid van conflict is. Het is de aanwezigheid van God te midden ervan. De opgejaagde wordt de welkome gast. Een tafel wordt gedekt en de beker vloeit over. Dit is niet slechts persoonlijke troost – het is zichtbare trouw.
De laatste verrassing komt in het slotvers: ‘Voorwaar, goedheid en goedertierenheid zullen mij volgen...’ Het Hebreeuwse werkwoord dat vertaald is met ‘volgen’ is onverwacht intens. Het is de taal van achtervolging. Gods goedheid en verbondsliefde achtervolgen hem onophoudelijk. Eerder in de psalm leek het gevaar nabij. Nu is er iets anders dat hem achtervolgt. Niet het kwaad. Niet angst. Maar 'tov va'chesed' (טוֹב וָחֶסֶד) - goedheid en standvastige liefde.
In het Hebreeuws is dit niet zomaar een troostende psalm voor moeilijke dagen. Het is een routekaart: van rust, via angst, naar vertrouwen, en uiteindelijk naar openbare rechtvaardiging. Hoe nauwkeuriger we de taal van de Schrift lezen, hoe meer we ontdekken dat bekende passages dieper zijn dan we eerst dachten. 'Heere, dank U, voor deze Psalm.'
Dirk van Genderen
(Met dank aan: israelbiblicalstudies.com)